Engelwortel
De grote engelwortel (Angelica archangelica) is een plant uit de schermbloemenfamilie (Umbelliferae of Apiaceae). De plant wordt ook wel aartsengelwortel genoemd. Het is een plant van natte, zeer voedselrijke grond aan waterkanten (onder meer bij het IJsselmeer), rivieroevers en in grienden. De grote engelwortel wordt ook gekweekt in tuinen.
Het is een twee- tot vierjarige soort, die afsterft zodra ze zaad heeft voortgebracht. De wortelstok is fijngeringd en raapvormig, hij is sterk gegroefd en bezet met resten van de wortelbladeren. De wortel is dik, meestalond de 7 mm dik, en vlezig, uitwendig groen en inwendig wit. De wortel bevat een geel melksap. De met merg gevulde, onderaan zeer dikke stengels hebben een open middenkanaal en worden tot 2,5 m hoog. De stengel is fijn gegroefd, kaal en van boven vertakt.
De grote brede puntige bladeren zijn verdeeld in talrijke kleinere blaadjes met fijngekartelde randen. De onderste grote lichtgroene bladen zijn drievoudig geveerd en hebben een lange, ronde, gootvormig gegroefde en holle steel. De stengelbladen zijn wat minder sterk geveerd en zitten met vliezige, zakvormig opgeblazen scheden aan de stengels. Een dergelijke bladschede omhult ook het nog niet volledig ontwikkelde stengeluiteinde. In de schede verzamelt zich regenwater, waarin allerlei klein gedierte kan voorkomen. De brede bladstelen zijn aan de onderkant verdikt. De reusachtige, tot meer dan 60 cm lange, in omtrek driehoekige bladeren zijn verdeeld in eivormige, gezaagde, 3-8 cm lange blaadjes.
De plant is vanouds beroemd om zijn geneeskrachtige eigenschappen en wordt plaatselijk nog gekweekt van Midden-Duitsland tot in Toerkestan Uit de zaden en de wortels wordt een zoetgeurende olie geperst, angelica-olie, die wordt gebruikt in de cosmetische industrie, in likeurstokerijen en bakkerijen. Zelfs de stengels en bladstelen worden om hun zoete, geurige smaak gekonfijt. De plant wordt ook gebruikt als toekruid.
Engelwortel is niet moeilijk te kweken. Het geeft de voorkeur aan een beetje schaduw en de sappigste bladstengels worden verkregen wanneer de plant in diepe aarde met veel humus gekweekt wordt. Als ze op de goede plek staan, groeien ze soms uit tot planten van 2½ meter met grote bladeren en ronde bloemschermen met kleurige, geelgroene bloemen. Het eerste jaar ontwikkelt engelwortel wel blad maar geen stengels en wordt hij zelden hoger dan ½ tot 1 m. Het tweede of soms pas het derde jaar groeit de bloemstengel uit tot zijn volle lengte.
De wortel en het zaad worden geoogst en gebruikt. Van de wortel en het zaad wordt onder meer een etherische olie gemaakt.
De aromatische wortel wordt in allerhande likeuren zoals vermout, chartreuse, Benedictine en gin verwerkt. De inwoners van Twee-Akren in België verbouwen nog menige hectare engelwortel voor medicinaal gebruik. Tijdens de droogtijd hangt over het dorpje een zoetige, bedwelmende geur.
De wortel en soms het zaad van de engelwortel worden vooral in de dierheelkunde gebruikt.
Van de aartsengelwortel worden vooral de wortel en gedroogde wortelstok gebruikt; de vrucht en de twijgen in mindere mate
De furocoumarinen kunnen de menselijke huid overgevoelig voor licht maken en bij inwerking van zonlicht kunnen ze huideczemen veroorzaken. PAS OP het sap veroorzaakt irritatie van huid en slijmvliezen. De furocoumarinen die fotodermatosen veroorzaken, zijn echter weinig in water oplosbaar, en daarom is het inwendig gebruik van het kruid zonder risico.
In de volksgeneeskunst wordt engelwortel gebruikt bij slechte spijsvertering met onvoldoende maagsapsecretie, bij chronische maag-, darm- en galstoornissen, bij winderigheid, als spasmolyticum bij maagzweer en twaalfvingerige darm, alsook bij maag- en darmontsteking. Het vers blad maar vooral de wortel wordt gebruikt als windverdrijvend middel (fellandreen), als water- en urineafdrijfmiddel, bij lichamelijke zwakte, bij ongesteldheid, ter behandeling van reumatische pijnen.
Bijen- en vlinderplant.







